WILLEM DUYS
2 juni 2011

Bijna alles waar in "De Wereld draait door"
geen tijd voor was.

1963
Ger Lugtenburg, geniale programmaleider van de Avro
kwam terug van een reisje Amerika en was enthousiast over
de Tonight Show.
Geknipt programmaconcept voor Willem.
Oster en ik waren in zijn ogen ’t ideale vehikel om
’t programma te maken.
Tonight Show? We hadden geen idee.
Nederland had 1 net.
Buitenland kon je niet ontvangen dus de Tonight Show zei
ons niks. Ger legde ’t uit.
Een man zit aan een bureau en ontvangt gasten voor een
gezellig gesprekje. Tussendoor zingt iemand af en toe een
liedje en dat is het...
Oja, en dan is er ook nog een ‘second banana’.
Wat is dat?
Iemand die de hele show aanwezig is en af en toe iets zegt
of flink meelacht om een zwakke grap.
(Tegenwoordig noemen we zo iemand sidekick, tafelheer
of tafeldame.)
Die leek me bij Willem nogal overbodig en is dus ook
nooit ter sprake gekomen.
Oster en ik deden samen redactie en samenstelling. Fred
bekommerde zich meer om de productionele consequenties
en ik om de regie.
‘t Idee was weinig spectaculair. Nogal basic eigenlijk.
Ik dacht een simpele formule, geen ingewikkeld decor.
Ach weet je wat....eigenlijk maar helemaal geen decor.
Dus begon het programma op een kale bühne met alleen
een tafel en een paar stoelen.
Kranten, kan water, kan jus d’orange, flesje wijn onder
de tafel en klaar.
De rekwisiteur vond ’t wel wat mager en ongezellig dus
die zei: 'wat denk je van een schemerlamp'?
Dat vond ‘k toch wel iets te oubollig.
Goudvissenkom dan? Hebben we toch iets huiselijks?
Leek me ook nogal truttig, maar ja ‘k dacht ach misschien
zit er nog wel een leuk shot in die kom. Dus zet maar neer.

Facilitair had ik 3 camera’s ter beschikking. Zoomlenzen
bestonden niet. Camera’s hadden aan de voorkant turrets
met daarop 5 verschillende lenzen.
Lang voor de close-up, kort voor het totaalshot.
Dollies waren niet meer dan rijdende statieven. Dat gaf veel
beperkingen ten aanzien van bijzondere shots en uitsneden.
Een vissenkom waardoor via de cameralens een fisheye-effect
bereikt kon worden leek me daarom wel aantrekkelijk.

Ook in die tijd zag je een recycling van dezelfde koppen op
televisie, dus Oster en ik vonden het interessant om naast
de BN’ers uit die tijd, ook mensen te zoeken die niet bekend
waren, maar wel bijzonder.
Uit de eerste aflevering herinner ik mij nog Dutmar
de aardappelboer uit Haarlem.
Hij schreef in zijn vrije tijd toneelstukken over eigenheimers
en pappenheimers. Hij kon er niet alleen heel gedreven
over praten maar hij kon zijn gedachten heerlijk relativeren met
een aanstekelijke harde lach.
Dutmar schreef stukken zoals Permeke zijn schilderijen
penseelde. Stevig en aards met af en toe dialogen, zwierig  
als de bloemetjesjurken van Laura Ashley.
Willem was verrukt. Hij meende dat er een nieuwe
Heijermans was opgestaan...en dat was knap want hij had
niks van de man gelezen.
Willem bereidde zich liever voor met een potje tennis en een
paar uur voor de uitzending een briefing tijdens een
rijsttafeltje bij Deli.
(Een Indonesisch restaurant dat zich op loopafstand
bevond van ’t theater Concordia in Bussum. De studio
van waaruit we live uitzonden.)
Eerste uitzending stond gepland tot een uur of 10 ’s avonds
maar liep uit tot voorbij middernacht.
Misschien hadden Oster en ik ’t een beetje
overgeproduceerd, maar ’t lag toch voornamelijk aan Willem.
Als hij ’t gesprek leuk vond, ging hij gewoon nog een
halfuurtje door.
We wilden het live-karakter van het programma
benadrukken door af en toe Willen een live telefoongesprek
te laten voeren.
Satellieten waren er niet. Straalverbindingen veel te
kostbaar, dus zochten we naar alternatieven.
De telefoon!
In de eerste uitzending planden we een telefoongesprek
met Jean Smits, een sportproducer bij de Avro die in Zweden
was voor een internationaal ijshockytournooi.
Die avond zou de loting plaatsvinden.
Niet al te spectaculair, maar onze ambitie om te laten zien
dat we live waren gaf de doorslag.
Een telefoontje dat gepland was voor anderhalve minuut,
ontwikkelde zich bij Willem tot een gesprek zonder eind.
Ik riep tegen Oster pak een schaar en knip de telefoondraad
door. Maar dat ging ‘m toen kennelijk nog iets te ver, want
hij deed ’t niet. ‘t Gesprek duurde langer dan 20 minuten.
Tot slot van de uitzending zou Willem een tv-recensent
bellen, om van hem te horen wat hij van de uitzending had
gevonden.
Misschien wel omdat de uitzending uren was uitgelopen,
liet Willem dat maar schieten en belde hij met z’n moeder.
Nou die oordeelde niet onverdeeld gunstig. Ze was kritisch
prees ‘m ook, maar vond wel dat ‘t nou lang genoeg had
geduurd en dat ’t tijd werd om te gaan slapen.
Ontroerend slot van een gedenkwaardig begin.

’t Wilhelmus.
Carel Briels organiseerde en regisseerde grote historische
spektakelstukken.
Over een nieuw project van hem was heibel ontstaan omdat,
de toen denk ik linkse regering er geen subsidie voor wilde
uittrekken.
Dat vond Willem schandalig.
Willem bemoeide zich eigenlijk nooit met de samenstelling
van de Vuist, maar hij wilde nu wel dat er een plekje werd
ingeruimd voor Briels.
Omdat ik nogal uitgesproken ben en duidelijk laat weten
wat ik ergens van vind, vond Willem ’t verstandig om mij
niet te informeren over een opzetje dat hij met Briels en
Oster (hoewel Oster het ontkent) bedacht had.
Uit onvrede over het weigeren van subsidie voor het Oranje-
project, zou de zoon van Briels, (uiteraard niet als zodanig
bekend bij het publiek) tijdens het interview opstaan en
‘spontaan’ ’t Wilhelmus inzetten.
De zoon durfde niet of, hoe dan ook, deed ’t niet.
Willem keek tijdens zijn gesprek met Briels verlangend naar
diens opstanding.
Briels bleef zitten.
..en toen, voor mij vanuit een misplaatst gevoel van
patriottisme, stond Willem zelf op en begon het Wilhelmus
te zingen.
Ik was verbijsterd. Ruud Bos, de muzikale leider van het
begeleidende combo,  begon te tune van “Zo is het toevallig
ook nog eens een keer’ te spelen en Willem zong
unverfroren het volkslied.
Nederland stond op z’n kop.
De Telegraaf bejubelde de held.
De banden van Willem z’n auto waren doorgesneden.
Veel commotie.

BBC
‘k Was producent van de Kraaykampshows.
Met Rijk de Gooijer die de teksteditor van de show was
ging ik naar Londen om tekstbijdragen te bespreken met
Johnny Speight. (De schrijver van o.a. All in the family.)
We spraken af voor een lunch in de White Elephant.
Speight was in het gezelschap van Dennis Main Wilson,
head of comedy bij de BBC.
Dat was niet toevallig.
Main Wilson had veel van mijn werk gezien op het
Gouden Roos Festival in Montreux en bovendien
had de BBC, 4 van mijn WDR-programma’s
uitgezonden in de serie “Aquarius”, over vernieuwende
televisie.
Hij wilde mij wel eens ontmoeten.
Het was een interessante lunch.
Naast ons aan een tafeltje knorden, kibbelden en
fluisterden luid, Liz Taylor en Richard Burton.
Dat leidde mij wel wat af.
Tijdens ons gebabbel informeerde Main Wilson naar de
authenticiteit van de Nederlandse televisie.
Daar moest ik even over nadenken en toen vertelde ik hem
over Willem Duys.
Rare man, voert net zo makkelijk gesprekken in de sfeer van
high culture als low culture, vecht in de studio een
robbertje met krokodillen, maar kan ook dol van woede met
overslaande stem tegen een moeder van een verkrachte
dochter roepen dat hij, als ze aan zijn kinderen zouden
komen, de kinderverkrachter hartstikke dood zou maken....
Bovendien heeft hij ook nog een keer Johnny Carson
vervangen in de Tonight Show.
Wow, zei Main Wilson, dat is een interessante man, die
wil ik wel eens ontmoeten.
Terug in Holland vertel ik Willem van mijn gesprek en
spreek af, dat we Main Wilson langzaam vertrouwd gaan
maken met wie Willem is. Ja hoor, zei Willem dat is goed.
Een uur later zat ‘ie al in het vliegtuig naar London en nog
’s een uur later stond hij voor de portiersloge van het
BBC centre en riep: ‘tell Mr Main Wilson, that Bill from
Holland has arrived’.
Leuk idee maar de overval werkte niet.
Ze hebben later nog wel contact met elkaar gehad.
Main Wilson is ook in Nederland bij Willem op bezoek
geweest, maar ’t is nooit iets geworden.

Binnenkort meer over Willem en zijn grote idee,
waarvoor we Liv Uhlmann bezochten in
Sandefjord, Noorwegen.

 
 

 

23.6.2011
Herinneringen aan Willem Duys (2)
Reportage:

28 december 1963.
De KL 244 landt op Schiphol.
Aan boord 4 passagiers. ‘Wie het toestel als laatste verlaat
mag het houden’, grapt de purser.
Het zijn zware tijden voor de KLM.
Een dag eerder las ik ’s morgens in de krant, dat de Oost-
Duitse autoriteiten, voor ’t eerst sinds de bouw van de muur
in 1961, bewoners van West-Berlijn toestonden naaste
familieleden in Oost te bezoeken. Een dramatische geste ‘für
unter den Weihnachtsbaum’ van kerstengel Walter Ulbricht
en zijn Deutsche Volksrepublik.
De mensen waren opgetogen, de overheden gereserveerd.
Das Passierscheinabkommen mocht toch vooral niet
betekenen dat het Westen, Oost-Duitsland als staat zou
erkennen.
Het duurde daarna nog tot 9 november 1989 voordat de
muur viel en de krankzinnigheid voorbij was. Een jaar later
schreef en regisseerde ik (ook weer tijdens Kerst) vanuit
‘Das Schauspielhaus’, muziektempel van het toenmalige
Honnecker-regime, het grote verzoeningsprogramma tussen
Oost- en Westduitsland: ‘Macht hoch die Tür, die Tor macht
weit.’
Maar daarover wellicht een andere keer meer.
Het krantenbericht vermelde ook nog dat de BBC die avond
live verslag zou doen.
Ha dacht ik, daar staan dus camera’s.
Ik belde met de geniale Ger Lugtenburg (Avro programma-leider)
en zei iets in de geest van: ‘Ger ’t is Kerst. Bij de
Potzdammerplatz is even een klein gaatje in de muur.
Ouderen mogen eindelijk hun kinderen bezoeken,
vasthouden, omhelzen. Drama, emoties. De rauwe
werkelijkheid van het leven betrapt aan de poort van de
geschiedenis. Moeten we daar niet bij zijn?’
Acties met de geur van kamikaze vonden in Ger meestal een
gretig supporter.
‘Mmmm...’ bromde Ger. Ik hoorde het trommelen van zijn
vingers op z’n bureau.
Dan....
‘Ja, geweldig idee moeten we doen! ‘Neem Willem voor de
interviews en organiseer ’t maar met Oster.’
‘Hoe is Willem z’n Duits Ger’, vroeg ik.
‘Dat weet ik niet, maar die man kan alles’.
Ik belde Oster en we gingen aan het werk.
Even later belde Ger terug.
‘k Heb Willem gesproken en voor de zekerheid nog even
geïnformeerd naar zijn Duitse taalvaardigheid.’
‘Duits’, had Willem gezegd, ‘is als een tweede moedertaal
voor mij.’
‘Maar’, zei Ger, ’vraag ook Ageeth (Scherphuis). Kunnen ze
elkaar ondersteunen en aanvullen en een paartje doet ‘t in
zo’n situatie altijd beter’.
Jawel, Ger kende de emotionele parameters van zijn publiek.
Oster en ik vonden al snel uit dat de Sender Freies Berlin de
BBC faciliteerde en dat zij na de BBC-uitzending, die om 10
uur ’s avonds zou beginnen, met alle plezier aan onze
uitzending wilden meewerken.
We boekten hotelkamers, zochten een vlucht en toen werd ‘t
problematisch.
Rechtstreeks vliegen naar Berlijn vanuit Amsterdam was
onmogelijk. Op grond van de Potsdam overeenkomst
mochten alleen de geallieerden (Engeland, Frankrijk,
Amerika en de Sovjet-Unie) in Berlijn landen. Vanuit het
Westen waren 3 luchtcorridors aangewezen.
Hamburg, Frankfurt en Hannover.
Het was dus zaak om in één van die drie steden een vlucht
te boeken naar Berlijn.
Het was Kersttijd, ’t aantal vluchten ten opzichte van nu
beperkt en om te beginnen was er zelfs naar één van de drie
steden geen stoel meer vrij.
Een spannend, impulsief initiatief leek te eindigen in een
sur place. We telefoneerden met directies van luchtvaart-
maatschappijen, de voorzienigheid en iedereen die ons maar
op weg zou kunnen helpen.
Oster had uiteindelijk een route te pakken. Eerst naar
Düsseldorf, vandaar naar Frankfurt, maar naar Berlijn was
de stand-by-lijst ’t beste wat men ons kon bieden.
Wat te doen?
Gaan natuurlijk!
Begin van de middag waren we op Schiphol.
Zeeën van tijd. De uitzending stond als ingelast programma
gepland voor na het late NTS-journaal, dus zeg maar rond
elf uur. 
Even een nootje voor de wat jongere lezers:
NTS is de voorloper van NOS.

Ageeth was op Schiphol al bezig met het bedenken en
vertalen van vragen. Waar nodig zocht ze bevestiging of
steun in het woordenboek.
Willem vertrouwde met zijn onverwoestbare optimisme, op
zijn instinct. Hij bevestigde ons nog eens dat zijn kennis van
het Duits vergelijkbaar was met zijn kennis van het
Nederlands en dat niemand zich daarover zorgen hoefde te
maken.
De vlucht naar Düsseldorf verliep probleemloos. Willem was
de held bij de passagiers en het bedienend personeel. Een
maand eerder waren we begonnen met de Vuist en dat was
in Nederland niet ongemerkt voorbij gegaan.
Ageeth was een geliefde en populaire omroepster/presen-
tatrice met een journalistieke achtergrond die in
tegenstelling tot Willem aandacht liever meed, dan genoot.

Na een paar uur wachten in Düsseldorf vlogen we door naar
Frankfurt.
Ageeth concentreerde zich, blokte, verzamelde voor zover
voorhanden materiaal en checkte haar Duits.
Zachtjes repeteerde ze zinnen, vragen en uitspraak.

In Frankfurt ging het mis. Elke maatschappij had een stand-
by-lijst zonder eind, maar er was er niet één waar wij op
voorkwamen.
Ageeth, Oster en ik werden nu toch wel een beetje nerveus.
De tijd begon te dringen.
Het liep tegen achten.
Geen vlucht.
Willem dronk ontspannen een kopje koffie en monterde ons
op met zinnen als: ‘Ach, ’t komt wel goed’.
Daar leek ’t totaal niet op.
Negen uur, nog steeds geen vlucht.
Oster grossierde bij het baliepersoneel van Air France, BEA,
en PanAm in gouden bergen. Hij beloofde z’n jackets,
televisiespecials, documentaires en ander snoepgoed, als ze
ons maar op een vliegtuig naar Berlijn wilden zetten.

Er werd druk getelefoneerd tot en met de Senaat van Berlijn
toe en eindelijk, om 10 uur, zaten we in een toestel van
PanAm.
Willem nam nog een kopje koffie, vertelde anecdotes en
babbelde wat met het cabinepersoneel. Ageeth, Oster en ik
hoopten en baden dat we nog op tijd bij de muur zouden
zijn, maar vreesden dat ’t niet zou gaan lukken.
Kort voor elf uur stonden we op Tempelhof.
We propten ons zo snel mogelijk in een taxi.
‘Wohin”?, vroeg de chauffeur.
“An die Mauer wo die Alten von Tagen durchtreten’ zei
Willem opgewekt.
Ik kreeg een bang voorgevoel, dat het Duits van Willem toch
een andere betekenis en grammatica had, dan het Duits van
de Duitsers.
Maar de taxichauffeur had ’t begrepen en gaf gas.
Aanvankelijk met lijm aan de banden, maar nadat we hem
de urgentie hadden uitgelegd, vloog hij als een raket door
het feeëriek verlichte Berlijn.

Op de Potzdammerplatz worstelden we ons door
toeschouwers en Polizei. We zagen een metershoge
kerstboom en hoorden begeleidt door een blaaskapel, een
koor stichtelijke kerstliedjes zingen.
Dat leek me een prima plaats delict.
‘Zet ze daar maar neer Fred,’ zei ik tegen Oster. Hij ging
camera en microfoon zoeken en ik de reportagewagen.
De timing was perfect.
De BBC was aan het afronden.
Ik kreeg verbinding met de HCK in Bussum en hoorde dat
daar al 20 minuten een kaart in beeld stond met de tekst:
We wachten op verbinding met Berlijn.’

Ik oriënteerde me snel waar de 3 camera’s ongeveer stonden
en nam de regie over van de BBC collega.
‘k Sprak drie enthousiaste zinnen tegen een crew die ik nog
nooit gezien had en vroeg om een shot van de blaaskapel.
Tot mijn grote vreugde ‘thank you Lord’ bleek zowel ’t koor
als de kapel gekleed in onvervalste Leger des Heils
kostuums. Sprookjesachtige aanblik. Er branden wat open
vuren en in een driepoot hing een pot voor financiële
donaties. Oster meldde zich via de intercom van een
cameraman. Willem en Ageeth stonden bij de boom en hij
had mensen die net door de BBC waren geïnterviewd stand-
by voor een gesprek. Ik zei dat hij de muziek moest stoppen
en dat ze daarna voor ’t begin van onze uitzending, op zijn
teken konden inzetten met een mooi kerstlied.
De muziek zweeg. Voor mijn camera’s zag ik poëtische
beelden van mensen die in alle richtingen wolken uitpuften
van gecondenseerde lucht en enthousiast riep ik tegen de
HCK in Bussum...
‘...We kunnen’!

Even later zagen de Nederlanders die nog wakker waren,
live beelden uit Berlijn.
Ik was ontroerd en euforisch.
Het was gelukt!
Willem was in zijn element.
Hij speelde in grootse vorm een virtuoze pot tafeltennis
met Duits klinkende woorden.
Hij interviewde een oudere Berlijner alsof hij een gesprek
voerde met een krasse bejaarde in de Vuist.
Minpuntje was wel dat ze elkaar niet helemaal begrepen.
Enerzijds klinkt Berlijns soms heel makkelijk, maar
bedoelen ze toch echt iets anders dan ’t schijnt.
Willem zat er niet mee.
Hij vond op die avond een nieuw soort Duits uit, dat merk-
waardig genoeg wonderbaarlijk veel leek op echt Duits.
’t Klonk bijvoorbeeld veel en veel beter dan ‘t Alkmaarse
volledig a-Duits gesprokene Duits van Rudy Carrell.
Rudy slaagde erin om Duitse woorden, niet Duits te laten
klinken. Voordeel bij Rudy was wel, dat bij hem de woorden
en de syntaxis klopten zodat men hem verstond en begreep.
Willem sprak met veel empathie en gebroken stem met
Berlijners die zojuist afscheid hadden genomen van hun
dierbaren in Oost. 
Voor hoe lang?
Voor eeuwig?
Hield de waanzin dan nooit op?
De emoties liepen bij velen over de wangen.

Willem vertaalde zinnen die nooit gesproken waren en
maakte daarvan emotionele essays over humaniteit, onrecht
en verdriet, die het zicht op morgen vertroebelden tot
een onzekere toekomst.
Hij predikte de kerstgedachte bij de snerpende vrieskou
onder de nimbus van de boom en de zegeningen van het pas
geboren kindje Jezus in de ijskoude kribbe.
Omgeven door de warmte van herders, schapen en koningen
onder een muur van onmenselijkheid, haat, afstand en
verdeeldheid.
De camera-lenzen besloegen van ontroering.

’t Idee van Lugtenburg om Ageeth mee te vragen, bleek
achteraf briljant. Zonder haar had de reportage alle
mogelijkheden in zich gehad om te ontsporen tot een Monty
Python-achtige sketch.
Zij stelde waar nodig de goeie vragen, kneedde en duwde
Willem als hij uit de bocht dreigde te vliegen terug in het
goeie spoor, brak af, vulde aan en zette antwoorden in het
juiste perspectief.

 

‘Die beste Nachtclub von Berlin’, riep Willem opgewekt na
afloop tegen een taxichauffeur.
Wat wij niet wisten en waar we ook totaal niet aan dachten,
is dat nachtclubs premie betalen aan chauffeurs die een
vrachtje bij ze afzetten.
Dat systeem werkt waarschijnlijk op basis van hoe slechter
de club, hoe hoger de premie want wij werden afgezet bij een
nogal ordinaire stripteasetent.
Ageeth voelde zich niet erg op haar gemak maar in de
euforie van het moment schikte ze zich en bestelden we
een drankje. Een stripper draaide op ’t bühnetje haar
routine van een minuutje of vijf, zonder dat wij er veel oog
voor hadden.
We zaten nog te diep in het avontuur van de dag.
De spanning, de ervaringen en de emoties moesten eruit.

Na de act was er een kleine pauze waarna een nieuwe
stripper zich ging afpellen. Het was mij opgevallen dat
iemand achter de bar het startsein voor een optreden gaf,
door twee keer te knipperen met een zaklantaarn.
De jolige roes waarin we ons koesterden, bracht de
kwajongen in Willem naar boven. Als een act voorbij was
pakte hij een halve minuut later z’n aansteker en zwaaide er
twee keer mee door de duistere tent.
Prompt startte de muziek en begon een meisje te strippen.
Nadat hem dat voor de tweede keer gelukt was kwam een
uiterst potente barman ons vragen of we daarmee wilde
stoppen.
Toen begon het wat uit de hand te lopen.
Oster werd baldadig en sprak tegen de gestaalde man zijn
vermoeden uit, dat de glazen gevuld werden met spiritus en
eiste de fles te mogen zien waaruit we ons drankje hadden
gekregen.
Intussen zwaaide Willem achter zijn rug nog ’s twee keer
met de aansteker waarna de muziek weer begon, ’t gebrek
aan humor bij de man plaats maakte voor echte boosheid
en wij dringend werden verzocht om het pand, na het
betalen van een belachelijke prijs voor één drankje, te
verlaten.

Een dag later.
De KL 244 landt op Schiphol.
Aan boord 4 passagiers. ‘Wie het toestel als laatste verlaat
mag het houden’, grapt de purser.
Voor geen goud willen missen.

 
 

5.7.’11
Herinneringen aan Willem Duys (3 slot)
De internationale doorbraak
die er niet kwam...

‘t Is ergens voorjaar1983.
Telefoon gaat.
‘Bob met Willem. ‘k Heb een idee en dat zou ik graag eens
met je willen bespreken.’
Vier jaar eerder was na 175 afleveringen de ‘Vuist’ gestopt.
De Vuist die hoeken en uppercuts uitdeelde waar Nederland
van stond te trillen, was verwaterd tot een knuistje.

De zondagochtend werd nu voor Willem en voor vele
honderdduizenden Nederlanders de hoogmis, waar hij de
hoogte, diepte en breedte van zijn muzikale plezier kon
celebreren.
Met een stem die smeerde als roomboter, betrok hij de
luisteraar in een avontuurlijk complot van muzikale
contrasten en verrassende kennismakingen.
‘Muziekmozaïek’ was geluk op zondagmorgen.
Met je geliefde in bed, of ontspannen aan een kopje koffie
met een croissantje.
Een therapeutisch anker na een hectische week.
Daarnaast deed hij met zichtbaar veel plezier mee aan
allerlei lichtvoetige programmaatjes als Babbelonië en
hoorde hij onlosmakelijk bij het Eurovisie Songfestival.

Even een kleine terzijde:
                                    In datzelfde jaar 1983, produceerde en
                                    regisseerde ik het nationale song-
                                    festival.
                                    Bernadette won. ....’Berna wie....?
                                    Ja, Toppers!
                                    Bernadette (Eindigde wel als 7e!)
                                    Op 23 april was ik namens de NOS bij
                                    de Europese finale in München.
                                    Willem verzorgde zoals altijd het
                                    commentaar.
                                    ‘Bob’ zei hij, ‘waarom kom je tijdens de
                                    uitzending niet bij mij in de
                                    commentaarcel zitten. Glaasje wijn
                                    erbij. Je kan nog eens opstaan en de
                                    benen strekken.’
                                    Een vooruitzicht dat oneindig veel
                                    aantrekkelijker was dan uren vastgepind
                                    op een stoeltje hokken in een zwetende
                                    zaal vol geloof, hoop en tegen beter weten in.
                                    De eindeloze uren die een songfestival
                                    over het algemeen viert met afgelikte
                                    cliché’s en composities die zijn voortgeko-
                                    men uit het brein van een
                                    hersendode, zijn geen pretje om uit te
                                    zitten.
                                    Dit keer was ’t een feest.
                                    Onder ’t genot van een mooi glas wijn,
                                    (Althans voor mij. Willem’s
                                    drankconsumptie was tijdens
                                    de uitzending zeer, zeer matig.)
                                    buitelden zinnen als acrobaten uit zijn
                                    mond.
                                    Lenig en soepel, mooie woorden,
                                    kritische noten, prikkelende
                                    toelichting en tijdens de performances
                                    met mij converserend over de
                                    megalomanie van Ludwig II en zijn
                                    theatrale scheppingsdrang.
                                    Hohenschwangau, Neuschwanstein,
                                    Herrenchiemsee en het prachtige
                                    theatrale Linderhof.
                                    Moeiteloos gleed Willem, uit een gesprek,
                                    bij de laatste maten van een optreden
                                    terug in zijn verantwoordelijkheid als
                                    commentator.
                                    Je moet erbij geweest zijn, om ’t te
                                    geloven.

Terug naar ’t begin van dat jaar.
Willem kwam langs en vertelde zijn idee.
Hij wilde serieuze gesprekken voeren over zaken die er toe
doen, met mensen die er toe doen. Hij had, vond hij, na de
Vuist met veel plezier clownesk en grappig lucht verplaatst,
maar was nu wel toe aan iets substantieels.
Uit piëteit tegenover Willem zal ik het idee niet helemaal
onthullen, maar sinds ik vorige week bij mijn beeldschone en
zeer deskundige mondhygiëniste hoorde dat één van haar
klanten (een topdog van een facilitaire toeleverancier) haar in
de stoel opbiechtte dat hij met Willem had gewerkt aan een
groot journalistiek project, waarbij hij inderdaad namen
noemde die op het lijstje van Willem en mij voorkwamen, voel
ik me wel vrij om er iets over te zeggen.
’t Was een rudimentair idee met internationale potentie.
Ik raakte enthousiast. Een prikkelend plan, dat erom
smeekte, te worden omgezet tot een programma.
We lieten het stuiteren en rollen. Bekeken het van voor
naar achter en van boven tot onder.
Gesprekspartners zouden worden gerekruteerd uit het
topsegment van kennis en kunnen. Uit mannen en vrouwen
die algemeen, maar zeker ook in eigen kring, gezien en
aanvaard worden als de beste, meest vooraanstaande of
gezaghebbendste.
Ver weg van ‘Wisdom of the crowd’ maar op de lip van
‘decisionmakers’ en ‘trendsetters’, ‘beroemdheden, denkers,
kunstenaars, geestelijken, politici, wetenschappers, militairen
en captains of Industry’.
Niet in Nederland, nee mondiaal!
Het bijzondere school niet alleen in de keuze van de
protagonisten, maar mede in de vraagstelling, de vorm van
de vraagstelling, de samenstelling en de montage.
Ik was verrast.
Dit was andere koek dan de gezellige mantra van de Vuist;
‘het kind, de oude man en het dier’ of grappige opmerkingen
maken bij een televisiespelletje.
Dit was een zoektocht naar de waarheid. Niet Socratisch,
maar vanuit de Nietzschiaanse gedachte dat de waarheid
niet bestaat. De waarheid is voor velen de optelsom van
meningen die het meest met elkaar overeenkomen.
‘Ik houd mij maar aan de feiten’, is een zin waarmee politici
zich graag smukken als monopolist van de ‘waarheid’.
Dat is hoogmoedig en arrogant.
Waar opposanten dezelfde feiten aanvoeren en tot diametraal
tegengestelde conclusies komen, is de waarde van het feit
niets meer dan de interpretatie die er aan gegeven wordt.

Ik vroeg of hij er met de Avro over had gesproken.
Dat was niet ’t geval. ’t Idee was nog nat van de geboorte
en bovendien vroeg Willem zich af, of we het idee niet
zelfstandig konden gaan produceren.
Hij kende een Hollander in Monaco, die financieel lekker
geboerd met schepen en die wel zin had om zijn
neus eens te poken in de stras, de veren en de netkousen van
de showbusiness. Hij bewonderde Willem en was zeer bereid
om voor de ideeën en gedachten van zijn held, de knip te
trekken.
In gedachten zag ik beide mannen lunchen op het terras van
Café de Paris schuin tegenover het Casino. Willem verspreidt
de geur van populariteit en roem, de ‘Portefeuille’ verspreidt
de geur van geld.
De mannen nemen nog een slok van hun portje en zien in
hun fantasie, hoe monumentale deuren openzwaaien naar de
poses van de macht, de schoonheid van de kunst, de kracht
van de liefde en de manipulatie van de geest.
De Portefeuille snuit zijn neus en dept een traan.
Willem knort en James Taylor zingt: “You’ve got a friend’.

Eén van de beroemdheden die Willem graag voor zijn
idee zou willen interviewen was Liv Ullmann. Fenomenaal
internationaal actrice van Noorse origine.
Muze van Ingmar Bergman.
Een grote wederzijdse liefde die nooit leidde tot een huwelijk,
beide waren al gehuwd, maar wel leidde tot een dochter.
Ze won talloze internationale awards voor zowel theater- als
filmrollen en trad in 1980 in de voetsporen van Danny Kay
als ambassadeur van Unicef.
Willem wist dat ik haar kende en vroeg me haar te willen
polsen. Dat heb ik gedaan, ze vond ’t een prikkelend idee en
zegde haar medewerking toe.

’t Is Zaterdagavond 23 juli. Ik heb net
vanuit Kiel een live uitzending achter de
rug op Duitsland 1. In het Maritim Hotel
treffen staf, crew en artiesten elkaar om
een geslaagde uitzending te vieren. Ik
drink een glaasje met Gitte. Ze heeft op
dat moment een dampende relatie met
Andrew Lloyd Webber en omdat zij en ik
elkaar goed kennen, lult ze bubbelend als
een fles ‘Pernod-Ricard Perrier-Jouet’
over haar nieuwe liefde.
Mijn kinderen Rinke 13 en Roene 11 zijn
er ook bij en inmiddels afgetaaid naar
hun kamer.
De volgende ochtend zal Suzanne mij op
weg naar huis, afzetten op de luchthaven
van Hamburg. Daarvandaan vlieg ik naar
Oslo om later, na een (naar zal blijken)
eindeloos durende treinreis, Willem, Mary
en de financier te treffen in Sandefjord.
Als ik de hotelrekening krijg blijkt dat er
gisteravond onophoudelijk druk verkeer is
geweest tussen roomservice en de kamer
van mijn kinderen.

Ik vlieg over Kiel op weg naar Oslo.
Daar beneden ligt de geschiedenis van gisteren.
Eindelijk in Sandefjord, tref ik in de lobby van het hotel
Willem, Mary en de financier.
‘k Had een wat bejaarde kerel verwacht, maar hij blijkt een
redelijk goed uitziende blonde midden veertiger.
Ze zijn in gesprek met Donna Lynton en echtgenoot.
Donna heeft die avond een zeer goed betaalde schnabbel voor
een exclusief gezelschap in hetzelfde hotel.
Grappig, nog maar kort geleden stond ze ergens in een
Nederlandse show voor mijn camera’s en nu treffen we
elkaar in een onbekend dorp in Noorwegen.
Raar.
Wij hebben om acht uur een dinerafspraak met Liv.
Voor mij een hartelijk weerzin, voor Willem, Mary en de
Portefeuille een aangename kennismaking.
Liv is een bescheiden vrouw, wars van sterallures. Gedreven
in haar vak. Bewogen in haar werk voor Unicef.
Willem was hoffelijk, charmant en won snel haar vertrouwen.
Het was een prettige avond. Willem lichte ’t idee nog eens toe.
Er werd breed en aangenaam geconverseerd. De Portefeuille
was wat stilletjes. Hij bleek als een blok voor Liv gevallen en
keek haar schaapachtig verliefd aan. Toen ik ’t door had, vond
ik ’t nogal ongemakkelijk, maar Liv leek eraan gewend en
negeerde de blikken van de duitenman.
Nadat we een afspraak hebben gemaakt voor de opname op de
volgende dag, nemen we afscheid.
Na Kiel en de reis naar Sandefjord ben ik inmiddels ook wel
een beetje gaar. Ik wens iedereen welterusten en ga naar bed.

De volgende dag ben ik al vroeg wakker. Ik drink een kop
koffie en loop ’t dorp in. Hoewel de taal nauwelijks te verstaan
is, merk ik als ik voor de krantenkiosk sta, dat ‘ie leest als
Nederlands.
Om 10 uur heb ik afgesproken met een Noorse cameraman.
Aanbevolen door mijn vriend Gernot Roll, dus dat zit wel goed.
Hij is zo midden dertig, ervaren, goeie reputatie, prettig mens.
Ik vertel ‘m wat ik nodig heb en wijs ‘m de ruimte waar we
zullen draaien.
Samen met zijn assistent gaat hij opbouwen en uitlichten.
Om half twee gaan we draaien.
Verbazingwekkend genoeg, bewandelt Willem tijdens de
opname geen zijpaden die er voor het concept niet toe doen,
maar houdt hij zich aan de route die we vooraf hebben
uitgedokterd. 
Ik zie hoe een prikkelend idee vorm krijgt en zich omzet tot een
spannend programma met internationale allure en potentie.
Liv is geen politica die kool en geit spaart, taal wordt bij haar
geen voertuig van verhullen en toedekken, maar van oprechte
gedachten en emoties. Met hart en hoofd, scheidt ze ‘Wahrheit’
van “Dichtung’ en zo ook, reageert ze met respect maar zonder
onderscheid naar macht of persoon, op de vragen die Willem
haar stelt.
Na de opname is iedereen in opperbeste stemming.
Liv nodigt ons uit om later op de middag, bij haar boven op het
basalt met uitzicht op het fjord, een glaasje te komen drinken.

Zo rond een uur of vier zijn we bovenop de berg bij haar
cottage. Een voornamelijk uit hout opgetrokken 60er jaren
bungalow waar ze samen woont met haar dochter.
De vlag hangt uit.
‘Een Noorse gewoonte om te laten weten dat je thuis bent’, zegt
ze. Willem verteld dat zoiets in Nederland ’t privilege is van
maar één vrouw, de koningin.
Liv zegt dat ‘ie tegenwoordig altijd wappert, omdat de
afwezigheid van de vlag door inbrekers werd opgevat als een
uitnodiging voor een kraak.
We zitten op het terras.
Glaasje wijn.
Heerlijke namiddag.
Het fjord is immens breed.
Kolossale vrachtschepen hebben ’t formaat van kleuter-
speelgoed.
Het water is ijl golvend zilver. Zuiver als ‘t ‘l’âme d’agneaux van
Jan van Eijck.

Hier boven op de rots, in alle stilte en rust zou je je ook
makkelijk eenzaam kunnen voelen. Hier gebeurt niets.
Af en toe suist een vogeltje door de lucht. Andere geluiden
dringen hier niet door.
Liv vertelt dat in 1981 toen zij in New York was, een vriend
van haar, de auteur John Briley op deze plek het scenario
heeft geschreven voor de film Ghandi.
Ik had de film gezien. Ik kon wel snappen dat Briley hier
de afzondering en een zekere mate van ascese vond die hij
voor het script nodig had.

Voor ons ligt een zwembad, maar hoewel ’t prachtig weer is,
is het potdicht afgedekt.
Als Willem vraagt of ze er veel gebruik van maakt, is het
verrassende antwoord: ‘Nee, nooit’!
Ze vertelt dat ze onlangs als ambassadrice van Unicef in
Bhutan is geweest. Eén van de minst ontwikkelde landen ter
wereld. Een arm koninkrijkje ingeklemd tussen China en
India. Ze hoorde daar het schrijnende verhaal van een moeder
die tijdens een grote droogte een keuze moest maken voor haar
zwakke, zieke kind, tussen geen water of vergiftigd water. Dat
had haar zo aangegrepen, dat ze nooit meer met een goed
gevoel, zich de luxe wilde permitteren om in haar zwembad te
liggen.
Ik opperde dat ’t zwembad haar misschien juist de kracht
en energie kon geven, waardoor ze op een effectieve manier
haar werk voor de armste en zwakste kinderen van de wereld
succesvol kon doen. Ze glimlachte me toe. Mijn morele
chantage had een puntje gescoord.

’t Is een leuke ontspannen middag.
Willem is gelukkig, Mary babbelt er met Liv gezellig op los en
de Portefeuille doet af en toe met het afhangende gezicht van
een verliefde hond, een paar duiten in het zakje.
Ik vermoedde dat hij de idolisering van het ikoon verwarde
met liefde, of verliefdheid.
Maar ’t was wel schattig.

Als ik een plasje wil doen, word ik naar een houten hutje van
een vierkante meter op een stuk basalt verwezen, zo’n 50
meter buiten de cottage.
Ik weet niet wat ik zie.

Daar hangt aan 4 houten wandjes de jubel en waardering voor
Mrs. Ullmann’s werk en prestaties, van de groten der aarde.
‘k Zie van The White House, een handgeschreven brief van
president Carter, ‘k zie brieven van gekroonde hoofden,
van Kissinger, van het Vaticaan, van Koch de burgemeester
van New York, Hellnwein (een graficus die ik persoonlijk erg
bewonder), Roncalli, Paul Newman, Andy Warhol....
Prachtig!
Dit is een onovertroffen statement van nederigheid en
relativering.
Verreweg de meeste mensen lijsten dat soort brieven in en
hangen die ergens goed in ’t zicht voor de bezoeker.
Zij relativeert de loftuitingen terug tot behang voor het
schijthuis.

Rond een uur of zeven nemen we afscheid en gaan in het
hotel dineren.
We zijn ’t er zeer over eens, dat we een geweldig project in
handen hebben. Zeker met engels als voertoon en bezet met
de prominenten die ons voor ogen staan, ligt de weg naar
een internationale breakthrough voor Willem open.
Ik vraag hem of ik de cassettes mee naar Holland zal
nemen om ‘t materiaal te spotten en te ordenen voor editing,
maar Willem neemt de cassettes liever mee naar
Frankrijk. Hij kan eigenlijk niet wachten, om het resultaat
te zien.
Na een tijdje bel ik ‘m eens om te vragen wat hij ervan vond
en of ’t geen tijd werd, om ‘s wat vaart te zetten achter de
volgende stappen.
Willem zegt dat hij ’t materiaal nog niet gezien heeft maar
dat hij mij op korte termijn over de voortgang zal informeren.
‘k Hoor niks.
‘k Zal ‘m daarna vast nog wel een keertje gebeld hebben,
maar de orde van de dag roept en ‘k zat tot over m’n oren in
het werk.
Het prachtige plan is uiteindelijk in een soort niets verdwenen.
Willem heeft mij nooit verteld waarom hij ’t heeft laten liggen.
’t Was het perfectie idee om zijn carrière een internationale,
verdieping te geven. Het omvatte, journalistiek, human interest
en verbluffing.
Het idee was Willem.
Onbegrijpelijk dat ’t nooit verder is gekomen dan dat ene
interview in Sandefjord.