In april 2003 stelden Ruud van Gessel en Henk Roozeboom mij 10 vragen. Hieronder die vragen en antwoorden.

Een bewerking hiervan verscheen in mei 2003, onder de titel

"LESSEN IN REGIE" als interview in BROADCAST MAGAZINE.


1) Het format regeert, de regisseur bestaat niet meer
Het format regeert niks. De marketing regeert. Het format is
een product. De regisseur (en dan gaat ‘t om de regisseur
van entertainment en aanverwante programma’s)
is niet eens meer een kostenpost zoals catering, belichter en schoonmaker, maar veelal de sluitpost.
Aan de kassa zit de producent.
Die wil met zo min mogelijk gezeik, tegen de laagst mogelijke
kosten met zoveel mogelijk winst z’n programma verkopen.
De sleet is groot. De creatieve armoe deerniswekkend.
Niet het Format regeert, de wansmaak regeert.
Het overgrote deel van de producenten schept de formats
uit het afvalputje van de laagste gemene deler.


2) De belangrijkste regieles is....
Het correct uitspreken van het woord “cut’. Juiste dictie, goeie
toonhoogte en op tijd knippen met je vingers.
Hh en dd uitvoerende producenten vinden dat over het algemeen
geweldig en denken al gauw dat je een hele piet bent.
Beide partijen hebben belang bij het koesteren van dit misverstand.
De regisseur bekommert zich niet om inhoud, medewerkers en
stilering, maar rijgt in een door hem of schakeltechnicus gekozen
volgorde close up’s, medium shots en totalen aan elkaar.
De gemarginaliseerde regisseur tornt niet aan de machtspositie van de U.P. Beide tevreden.
De belangrijkste regieles echter is: Visie en de omzetting ervan.


3) Wat bepaalt het succes: de vorm of de inhoud?
We praten wel steeds over vorm en inhoud, maar dat is semantiek.
De inhoud is altijd hetzelfde; een rangschikking van emoties.
Lachen, huilen, woede, verdriet, spanning, opwinding enzovoort.
Het intellect maakt de mens uniek ten opzichte van het dier. Maar
het intellect is geen programma, geen literatuur, geen beeldende
kunst, geen muziek. Zonder emotie is schilderkunst, verf op linnen
en de literatuur, letters op papier. Het individu geeft er een rang-
schikking aan en daardoor wordt het iets, of niets.
De emotie die een expressievorm oproept, is in de kern de inhoud.
Daarom gaat het alleen om de vorm. De inhoud is al sinds Adam
en Eva dezelfde. Het gaat om de genialiteit van de vormgever.
Grünewald, Nabokov, Mahler, daVinci, Botero, Kubric, Bosch, Bach, Picasso, Miles Davis,Camus, Barnes, Fellini, Kustodiev, Mülisch, Beckmann, Sjoerd de Vries, (net gezien in het Haags Museum) Houellebeck, Copland, Nietsche, Hellnwein,
Scorsese, Magritte, Flaubert, Rauschenberg..
Er is geen nieuwe inhoud, er is uitsluitend een reshuffling van
een identificeerbaar vehikel op een emotionele route.

4) Waaraan herken je een "Rooyens"
Aan ‘t handschrift zou ik zeggen, maar ‘t lijkt mij
een vraag voor anderen.


5) Voor de Vuist weg, Sterrenshow, Wedden Dat,Doet ie het...
Rooyens zet de toon, maakt ruzie en vertrekt.

Van dit rijtje en de suggestieve implicatie klopt niet veel.
Je gaat aan de gang met een idee en je eindigt met een programma.
Dat is mijn fascinatie met televisie. Na 3 afleveringen is het model gepolijst en wordt het de reproductie van een cliché. Je stopt je energie in die elementen die elke aflevering nieuw zijn (zoals balletten en muzikale performances) en de rest loopt op de automatische piloot. Ik word dan onrustig en wil weer iets nieuws.
Dat is ontzettend stom, omdat series geld opleveren en ook nog
een leuke cent aan Vevamrechten. Het zou fair zijn als de maker
van het model, net als een componist of tekstdichter, tot in lengte van dagen een royalty zou ontvangen.
Helaas! De regisseur is vogelvrij en rechteloos. De freelancer is blij met een opdracht en past zich aan. De regisseur in vaste dienst, durfde de freelance status niet aan en is als verlengstuk van zijn broodheer per definitie monddood. De Vara verdient in dit verband credit, omdat zij mijn auteursrecht op een programmamodel erkenden en honoreerden.
Ik zie mijzelf niet als dienaar van een producent of omroep. Als je in die lijn verder denkt ben je uiteindelijk dienaar van jezelf. Een zender zoekt publiek en ik ben publiek. Ik ben ook iemand met ideeën en opvattingen en de resultaten daarvan waren en zijn van invloed op de ontwikkeling van programmatelevisie. Ontwikkelingen komen nooit tot stand door byzantinistisch gedrag maar zijn het resultaat van nieuwsgierigheid en verzet. De durf om tegen de stroom in te gaan. Je moet dan niet bang zijn, want ’t eerste wat je hoort als je je kop boven het maaiveld uitsteekt is het accelereren van de maaimachines.
De adaptieve dwang die de laatste jaren op regisseurs is uitgeoefend
heeft geleidt tot creatieve vasectomie en zonder zaad wordt bevruchting een hopeloze opgave.
De Vuist en dat geldt in meer of mindere mate ook voor de andere
programma’s was na een aantal uitzendingen geen grote prikkeling meer voor mijn creatieve ambities.
Aan Willem Duys bewaar ik de beste herinneringen. ‘k Heb ook nooit
ruzie met hem gehad. Ik was verbijsterd toen Willem in een vlaag van misplaatst patriottisme, het Wilhelmus inzette. Later bleek ‘t een opzetje te zijn geweest van Fred Oster, Carel Briels en hemzelf. Ze hadden mij er buiten gehouden, omdat ik doorging voor links en wel ‘s dwars zou kunnen gaan liggen.
Willem was niet vies van een stuntje. Tijdens het livegesprek met Briels over de kritiek op zijn oranje doordrenkte grote openlucht spektakels, zou een vazal van hem opstaan en het Wilhelmus inzetten. Toen dat maar niet kwam, dacht Willem: doe ‘k ’t toch zelf. Kwaad was ik wel, ruzie hebben we nooit gehad.
‘ k Vond ’t wel een goed moment om er mee op te houden.
De Sterrenshow is geconcipieerd naar de serie Telezirkus, die ik
voor de ARD maakte. Willem Ruis wilde mij graag als regisseur.
Het eerste seizoen heb ik vanwege andere verplichtingen niet meer dan twee afleveringen kunnen regisseren.
Het 2e seizoen had een nieuwe start. Willem, Marc Jansen en ik waren de drijvende krachten.
Hub Berkers reshuffelde briljant het décor en we verrijkten het televisiegereedschap met de eerste inzet van de kraan. Die serie kwam onder extreme druk te staan, toen bleek dat de financiële positie van de Vara door mismanagement leek in te storten. Het reizen met de tent werd geschrapt en van alle plannen en concepten die ontwikkeld waren kon door budgetbeperkingen veel worden weggegooid. Iedereen leed eronder, maar voor Willem was het 'onrecht dat hem werd aangedaan', niet te verteren. Hij heeft verschrikkelijk geleden en raakte meer en meer verbitterd. Dat beïnvloedde zijn persoonlijkheid en zijn werk. Z’n ogen die spiegels waren van het plezier dat hij had in het werk, werden dof en dood. Gedwongen door de bezuinigingen moesten nieuwe productienummers worden bedacht. Willem had gedroomd dat hij van boven af, door het dak van de circustent, naar een begrafenis keek op één van de piste's.
Lilliputters groeven een extreem groot graf. De man op stelten liep daar gevaarlijk dicht langs, zonder zich van gevaar bewust te zijn..
Willem schreeuwde om te waarschuwen. Angst, wanhoop en onmacht verstikten zijn stem. Z’n mond bewoog maar produceerde geen geluid. Hij kon de man op stelten niet waarschuwen en het noodlot voltrok zich. De man stortte in het graf. Willem zag er een mooi productienummer in.
Daarbij had hij La Valse uitgezocht van Ravel. De ultieme tortuur van muziek over de rug van Die schöne Blaue Donau. Alles eraan voelde als lijden.
Marc en ik hebben hem er met veel moeite van weten te weerhouden.
Het was schitterend drama. De autobiografische ondergang van
‘de grote man’. Maar ‘t was slecht amusement.
Willem kon heel slecht tegen kritiek en knutselde de laatste paar shows, liever zonder medespraak in elkaar. Normaal zagen we elkaar een paar keer per week en telefoneerden we dagelijks vele malen.
Dat werd minder. Hij keerde zich af van anderen en trok zich steeds meer terug op zichzelf. Na de serie is hij gestorven.

‘Wedden dat’ hield gewoon op. Joop stortte zich in het avontuur van
TV 10. Na de ineenstorting daarvan, vroeg de Mol of ik voor hem
wat wilde gaan doen. Tussen van den Ende en de Mol was destijds sprake van animositeit. Mijn loyaliteit lag bij Joop. Onze samenwerking dateerde al vanaf 1974, toen hij producent en ik regisseur was van Citroentje met Suiker. Joop werd ‘kaltgestellt’ door omroepen en commerciëlen, had hoge kosten en geen werk.
Hij vond dat ik ‘t maar moest doen.
De Mol had nog geen shows. Hij was succesvol producent van
Medisch Centrum West en maakte daarnaast een variëteit aan kleinere programma’s. Doet’ie ‘t was in dat kader zijn grootste amusementsprogramma.
Het was een goedkoop geproduceerde tribuneshow.
Daar bleek ook een groot verschil tussen Joop en John. Joop hield
van glamour. Zijn shows moeten het op kunnen nemen met het
beste wat er in de wereld bestaat. Geld verdienen leek nooit z’n eerste prioriteit. De narigheid van Joop’s situatie was voor de Mol een voordelige zegen. Hij had grote bewondering voor Joop en er was zeker geen sprake van ‘schadenfreude’, maar John profiteerde er natuurlijk wel van.
M’n televisieleven lang, heb ik met een vast team gewerkt.
Het ververste zich van tijd tot tijd, maar ’t waren altijd de hoogst
gekwalificeerde mensen in het vak. Iedereen moest op z’n tenen
lopen, want ik ben veeleisend en in elk programma wil ik het maximale uit de ploeg en de middelen halen. Die sterke prachtig geoliede machine kreeg de Mol gratis in de schoot geworpen.
John dacht destijds veel kleiner als Joop. Was ook kleiner.
Z’n oriëntatie lag dichter bij overleven en geld verdienen dan bij programma. Als ‘t voor een dubbeltje kon, dan zeker niet voor een kwartje. Binnen die beperking heb ik ‘doet’ie’t’ de schijnallure gegeven van de grote show. De gretigheid om zoveel mogelijk geld te verdienen, werd zichtbaar in de armetierige spelletjes.
In elke aflevering werden die gerecycled rond plastic bekertjes en plastic ballen, met als creatief hoogstandje de niets kostende variant met ballonnen. Voor de Mol was die periode een groeiproces en bij de nieuwe shows, ging het een stuk beter. Ik heb de basis voor z’n showfabriek gefundeerd met Doet’ie’t’, Loveletters en de 100.000 Show. Tegenwoordig de: Staatsloterij-show.
In die tijd stond de Mol zelf op de vloer en vormden wij tijdens opnamen en uitzendingen een perfecte combinatie.
Het probleem bij de Mol was, dat de groei van het bedrijf en de behoefte aan kwalitatief goeie mensen niet op elkaar aansloot.
Hij had er wel een paar, maar steeds vaker werd zijn rol op de vloer overgenomen door een ongetalenteerde keukenhulp die mij moeiteloos het bloed onder de nagels vandaan wist te halen.
Ja!, dat leidde tot conflicten.
Producententelevisie van nu ziet de regisseur als teamplayer
ik ben meer een teamleader. Wie met mij werkt, weet dat ik ‘t hele
apparaat aanstuur. Ik ben bij televisie begonnen als schrijver,
producer en regisseur. Ik ben het dus gewend om ’t productie-proces
van begin tot zendrijpprogramma te leiden.
Ik kan er enorm van genieten om met m’n ploeg de studio in te stappen. Of ‘t dan gaat om een spelshow of een geniaal gechoreografeerd ballet, maakt voor het proces niet uit.
M’n eigen appreciatie voor het resultaat ligt natuurlijk wel anders.
Onlangs hoorde ik dat de regisseur van grote amusementsprogram-
ma’s op last van de presentator z’n cameraploeg diende te vervangen. De uitholling van de positie van de regisseur is nauwelijks treffender te illustreren.
Een presentator zou zich, denk je, moeten concentreren op de presentatie. Slechts enkele beschikken over een niet inwisselbare identiteit en een herkenbare persoonlijkheid dus die opgave is voor de meeste al een te grote klus. Een presentator die zou willen bepalen met welke mensen ik m’n werk moet doen, toont daarmee een weerzinwekkend dédain voor de regisseur en is in mijn ogen rijp voor een stevig dynamisch psychiatrisch onderzoek in de Pieter Baankliniek.
Ja, ‘k heb wel ‘s een conflictje. Gelukkig maar. Dat dient het vak.
Er is wat mij betreft maar één categorie waarin de casus belli sluimert. Ego’s die superieure kennis en inzicht menen te kunnen ontlenen aan hun hiërarchische positie.
Joop van den Ende, heeft minstens vijf grote kwaliteiten. Hij heeft een onbegrensde ambitie. Hij is een ondernemer met tomeloos veel lef. Hij omringd zich met de beste mensen. Hij betaalde z’n top uitstekend. Z’n verlangen naar het beste resultaat is groter dan z’n verlangen om zoveel mogelijk te verdienen…en dat laatste
is voor een commercieel producent uitzonderlijk.
De successen zijn te danken aan de mensen, die de programma’s maakten. Hij was daarvan de voorwaarde scheppende katalysator.
Ik had wel eens de indruk, dat Joop dacht, dat hij als top van die piramide ook superieur was aan de talenten die in de hiërarchie daaronder zaten.
Het conflict tussen een minderwaardigheidscomplex enerzijds en de
successen anderzijds uitten zich in het afsnauwen van zwakkeren en in het vlak voor opname of live-uitzending omgooien van de programmavolgorde. Dat leidde steevast tot onrust en onzekerheid in het team en tot een minder resultaat. Daarover hadden wij wel eens een conflict.
Als de voorwaardenschepper zich gaat gedragen als de schepper dan
is er iets mis. Hij kon zoveel druk produceren, dat niemand zich meer prettig voelde. Toch zijn er momenten geweest waarop hij toonde over een grote allure te beschikken.
Joop was net weer terug in business. Om in Duitsland voet aan de grond te krijgen, dacht hij een goeie zet te doen door samen met Carrel een productiemaatschappij te beginnen. Hij belde me op en zei: ‘k Heb een contract voor drie series, jij hebt een naam in Duitsland, ik wil dat jij ze regisseert. ‘k Heb data gecheckt en iets
afgezegd, want Joop weiger je niet. In het gezamenlijke kantoor van hem en Carrel in Keulen ging het al meteen mis. Ik zou met een ontwerper praten over het decor van één van de series. De man was er, parfumeerde mij met mijn werk, vertelde dat hij er trots op was dat wij zouden gaan samenwerken. Op aanwijzing von der Rudy, had hij alvast een maquette gemaakt.
Rudy was onderweg en zou met enige vertraging het gesprek bijwonen. Ik kreeg een bang vermoeden, dat de smakeloze burgertruttige maquette die op de vergadertafel stond, wel eens mijn nieuwe decor zou kunnen zijn. Toen ik ’t de ontwerper op de man af vroeg, informeerde hij met enige gene wat ik er van vond. Nou, ik vond het verschrikkelijk! Ja, hij had ook liever iets anders willen maken, maar dit is wat der Rudy van hem had verlangd.
Ik zei hem, dat ik het niets vond en afkeurde. Rudy schoof aan. ‘Zo, jij keurt dit ontwerp af’? ‘Ja, ik keur het af’. ‘Kan je’t programma er niet in maken?’
‘ Rudy, ik kan het programma maken op de wc, maar daarom doe
‘ k ’t nog niet.’ ’t Lijkt me goed als je met Joop bespreekt hoe ‘t
nu verder moet, want ik doe ’t niet.’
Marijke Schaaphok die als uitvoerend ook aanwezig was, laadde
de maquette in en zette die in Aalsmeer op het bureau van Joop.
Die belde me ’s middags op en zei:’ Bob je hebt gelijk, ik keur
de maquette ook af. Zoek zelf een ontwerper en maak het decor
dat je wilt hebben. Joop had z’n keuze gemaakt.
Ik stak m’n nek uit voor hem, hij gaf mij back-up. Mooi moment.
Zo bleek hij ook in staat om na een stevige ruzie tussen ons, z’n
ongelijk toe te geven. Dat siert hem. Vooral omdat hij in een om-
geving werkt en leeft, waar likken, slijmen en naar de mond praten norm is, het makkelijker is aan rancune toe te geven dan respect te tonen en kritiek zwijgt.
De samenwerking tussen Joop en Rudy was al snel over. Een aantal
jaren na het incident, hoor ik op een ochtend in de hal van Hotel Maritim in Keulen mijn naam roepen. Rudy!
‘ Bob, zullen we samen ontbijten.?’ Hartelijkheid alom.
Rudy, op dat moment weer zeer succesvol met zijn programma
‘ Sieben Tagen, Sieben Köpfe’ verteld me, dat hij overwoog om er
mee op te houden De aanwezigheid van al die talentloze betweters werd 'm te veel.
Grappig hè.
Welcome to the club Rudy!.


6) Televisie is jouw "slagveld", wie is de vijand?
Iedereen die mijn visie en de omzetting daarvan dwars zit.
Televisie is nu in haar derde fase.
Na de televisie waarin de weerman en de omroepster de
sterren waren, kwam de periode van de regisseur en nu
zitten we in de fase van de producent.
Programma’s maken die de doelgroep bereiken van de
adverteerder. Televisie als omzetbevorderend product.
Die overgang leidde tot de instelling van een nieuw fenomeen:
de ‘Überwachungspolizist’. Heet geen Polizist maar redacteur.
Zeg maar, het genre mensen waar ook Rudy Carrel zo ongelukkig van wordt.
Het is hun taak om soms tijdens de voorbereiding, maar altijd
tijdens de productie en eventuele nabewerking, een oogje in het zeil
te houden. Sommigen van hen zijn net slim genoeg om hun kop
te houden, te genieten van de riante onkostenvergoeding en rede-
lijk onzichtbaar te blijven.
Anderen menen dat het hun taak is om zich met de ontwikkeling en de voortgang van het programma te moeten bemoeien. Het noodlot wil dat de opdrachtgever nooit een geniale programmamaker stuurt, maar altijd iemand die ze ‘t liefst zouden ontslaan.
Het is een schadelijke aanwezigheid, die geen ander doel dient dan iemands bestaan te legitimeren en de uitkering van een salaris te rechtvaardigen. Dat een programma in enige mate, laat staan aanzienlijk zou zijn verbeterd door de inbreng van de Überwachungspolizei” is fictie.
Een Duitse producent en vriend van mij lukte het om z’n eerste
grote serie spelshows te plaatsen bij een commerciële Duitse zender.
Hij vroeg mij om de serie aan te sturen en te regisseren. Ik heb toegezegd, onder voorwaarde dat hij de toezichtsredacteur van de opdrachtgever bij mij weg zou houden. Alle chicanes van die meneer ten spijt is dat gelukt en heb ik de serie gemaakt zoals ik vond dat het moest, zonder mij te bekommeren om de lijst met veranderingen die hij zag als verbeteringen.
Het programma was zo succesvol dat de opdrachtgever een nieuwe
serie bestelde. Vanwege de spanningen met de toezichtsredacteur
heb ik mijn vriend voorgesteld om een andere regisseur te nemen.
Het model lag er. Mijn draaiboek lag er. Iedereen blij.
Er kwam een nieuwe regisseur. Het gechicaneer begon van voren
af aan. Wijzigingen werden nu wel doorgevoerd. De serie mislukte.
De toezichtsredacteur weet dat aan de producent. Producent is z’n klant kwijt. Dezelfde verantwoordelijke onbenul werd probleemloos weer losgelaten op een andere serie.
Ik heb altijd geweigerd om me iets aan te trekken van deze dames en heren. Een houding die ik collega-regisseurs van harte aanbeveel.
Je maakt er natuurlijk geen vrienden mee.


7) Voor jouw geldt "creatie geen imitatie'. Hoe vertaal je een idee
van een ander?

Een idee is niks, zonder de omzetting ervan.
Ik hanteer bij elk programma m’n eigen 4C Formula
Concept: ‘t Idee
Content: bezetting
Construction: design/techniek/team/crew
Conceive: aan de slag/
Het is zeer te betreuren, dat beeldende kunstenaars en schrijvers zich van televisie als interessant medium hebben afgekeerd. Ik heb b.v. gewerkt met: Guy Peellaerd,
Heinz Edelmann, Armando. Remco Campert, Allen Jones,
Dat leverde altijd interessante programma's op.
Die weg is afgesloten door de aanname dat platvloersheid meer kijkers trekt dan Salome van Strauss of Cocteau’s Testament van Orpheus. (Goddank dat Arte bestaat.)
Zolang de meeste zenders op hetzelfde tijdstip naar dezelfde
kijkers hengelen zou dat nog wel eens mee kunnen vallen.
Ik denk niet aan tijdgebonden reconstructies maar eigentijdse omzettingen. Denk aan Moulin Rouge, denk aan Shakespear in love, denk aan Romeo en Julia. Of Krieg und Frieden dat ik geschreven en geregisseerd heb voor de WDR naar aanleiding van de Vrede van Münster. M’n uitgangspunt was dat in 1648 televisie al bestond
zodat ik de ontwikkelingen van de oorlog en de vrede kon samen-
vatten binnen het model van een CNN-achtig Gulfwarverslag.
Museum Boymans van Beuningen stuitte bij research naar spinn-off
producten van Hieronymus Bosch op een ballet dat ik had gemaakt
op de molensteen van de hel uit de tuin der lusten.
Ik vrees dat het, waar het een vorm van entertainment betreft. daar wel bij zal blijven.


8) "Alle televisie maak je van binnenuit, volgens een
dramaturgische gedachte". In welke programma’s van nu zie je dat niet en wat is jouw oplossing?

Er is helaas heel veel dramatisch slechte televisie.
Een graverend verschil tussen de publiekrechtelijke en de commerciële televisie is nauwelijks te maken. Terwijl toch de uitgangspunten van de één diametraal staan tegenover de ander. Ik heb ‘t nou niet over allerlei primitieve ranzigheid zoals de coming-out van Bert v.d. Veer (spijkerbroek, sandalen en pijp) als televisie-pimp. Zijn geniale programmaconcepties draaien om de dramaturgie van de blote kut.
Dit soort knievallen van iemand die toch ook wel iets anders kan lijkt symptomatisch voor de malaise.
Kamerbreed een aardig radioprogramma heeft tegenwoordig een gecombineerde uitzending met televisie. Het vakmanschap waarmee
de vertaalslag plaatsvindt vond ik nogal opmerkelijk. Het eerste shot
miste de presentator. Het tweede shot was een paniekzwaai op zoek
naar iemand met tekst. Het derde shot kwam zoomend in en bleef
maar verdichten tot een onzinnig close med en het vierde shot hield
het midden tussen een te ruim medium en een americain.
Hoe is ‘t toch mogelijk, dat ‘t in beeld brengen van de simpelste vorm
van televisie, zo schandalig slecht gebeurd.
Actualiteitenprogramma’s zijn verworden tot stuitende cliché’s. Het
AKN heeft in een monstrueus samengaan een Netwerk opgeleverd
dat zich ter herkenning bedient van dezelfde leader. Tot een uitmuntend journalistieke formule heeft dat allerminst geleidt.
Het wegvallen van de onderlinge concurrentie heeft de ambitie niet gestimuleerd. De receptuur bij dat soort programma’s is voorspelbaar. Bij gebrek aan journalistieke vindingrijkheid, brengt de rolodex uitkomst.
De ‘deskundigen’ herhalen nog eens wat twee uur eerder al iemand zei bij 2 vandaag en wat daarvoor al een aantal reruns had op CNN, Skynews of BBC-world. De authentieke invalshoek ontbreekt. Het gebruik van graphics als informatiemedium wordt door niemand begrepen en daarom maar klakkeloos geïmiteerd.
De moderatie voltrekt zich volgens een zichzelf herhalend patroon:
de expert wordt aangetapt en levert wat de inleiding van hem ver-
wacht. De presentator zegt: ….straks praten we verder…
Volgt een filmpje of een gesprekje met de correspondent, die her-
haald wat iedereen al weet. De anchorman tapt z’n expert aan.
Die bevestigt nog eens wat we al weten enz.
De ironie van deze poppenkast was vermakelijk toen Bertus Hendriks ‘van de wereldomroep’ op de vraag waar Saddam Hoessein zich nu bevindt, z’n lachen niet meer kon verbergen.
Bij NOVA is een bijkomende tragiek, dat een naar mijn mening
uitstekend interviewer als Rob Trip, vervangen is door Pietje Bel
en Tante Pollewop. Met dat ritueel van voorleestekstjes, filmpje,
gesprekje, voorleestekstje in een onbegrijpelijk lelijke setting
zie ik een doodzieke patiënt, in plaats van een vitale actualiteitenrubriek.
De aankomende ster van het achtuur journaal kan niet
presenteren zonder een nutteloze balpen in haar hand. Niemand
die zich daarom bekommert. De presentatoren van NOS-sport
doen het beter als standwerker, dan als journalist. Ze hebben
allemaal hetzelfde toontje. Een dictie die aanzwelt van zacht
naar hard. Geen zin klinkt normaal. Humberto Tan,
buigt zich daarbij nog zover voorover dat ik vrees dat hij door
m’n buis zal breken. Het is de zelfgenoegzaamheid die regeert.
Een leven lang is een land opgescheept met het dodelijk irriterende maniërisme van Eddy Poelman en zo’n vooringenomen hineininterpretierende commentator als Evert ten Apel.
Een goeie derde op de lijst van irriterende sportcommentatoren is Herbert Dijkstra.
Hij behandelt televisie als radio. Pauzes ervaart hij kennelijk als falen, dus worden die vol geluld met lege taal hoofdzakelijk en bij herhaling geput uit z’n database. Hij is zo geil op z’n vertelsels, dat de actualiteit van de race daaraan ondergeschikt is.
Bij schaatsen zit er godzijdank Frank Snoeks naast, die dat geleuter afbreekt en met een eigen idioom de kijker bij de les houdt.
Bijna elke nieuweling bij Studio Sport is binnen twee weken in het
pak gehesen van coupeur Smeets de moeder van alle standwerkers.
De lawaaimakers, groot afnemers van lege taal, bepalen de richting.
Gedegen persoonlijkheden als Theo Reitsma, Snoeks en bij de
anchormen Tom Egberts lijken geen oriëntatie te zijn voor mensen als Tan, van Peeperstraten en die vrolijk ogende krullenbol.
Praat er wel’s iemand met deze ‘vedetten’?
Nou, ik weet wel zeker van niet!
Het discussieprogramma Buitenhof is verworden tot een toneelstukje van steeds weer dezelfde dames en heren, die de vragen kennen en de bijpassende antwoorden moeiteloos oplepelen.
Redacteuren en gasten zijn slaaf van de formule.
Gemakzucht, zelfgenoegzaamheid, bedrijfsblindheid?
De Phoenix die het samengaan van verschillende omroepen tot gezamenlijke netbespelers had moeten worden, ligt met gestrekte pootjes op z’n rug.
Het is in zekere zin vergelijkbaar met de 1 in het logo van de ARD. Die 1 suggereert dat het Duitse eerste net één zender is. In werkelijkheid zijn het er intussen 11, die niet in staat zijn om in gezamenlijkheid een consistent beleid te voeren.
In Nederland meende men dit te kunnen ondervangen met een netmanager. Die lost de problemen niet op, maar maakt ze groter.
Omroepen die steunen op een achterban hebben weinig boodschap aan de netmanager, maar des te meer aan hun eigen
uitgangspunten.
Dat die uitgangspunten voor sommige omroepen niet meer zo duidelijk zijn, maakt het probleem alleen nog maar gecompliceerder.
Joop Daalmeijer lijkt me iemand, die wel iets in z’n mars heeft. Maar om nou te zeggen, dat ’t tweede net een voorbeeld is van een geslaagde nieuwe publieke omroep,,,,,nou nee! ’t Is een netje dat overkookt van onbenullige spelletjes, reruns van schlagerrepertoire en oppervlakkig gekeuvel, bij voorkeur met weer een kok, een hapje een glaasje wijn en een bekende Nederlander.
Ik vraag me wel ‘s af, bij wie die eigenlijk bekend zijn, meestal niet bij mij.
De tragiek is dat de Nederlandse televisie zowel commerciëlen als
publiekrechtelijke, vervelen door een overdosering aan middelmaat.
Het wordt hoofdzakelijk gemaakt door zelfbevestigende coterietjes die het goed met elkaar kunnen vinden. Een deerniswekkende kliek die helaas niet gehinderd wordt door enig tegengas. Waar is het programma met een scherpzinnige prikkelend formulerende intellectueel die de hersenpan weet op te schudden? Boekenprogramma? Shows die oog en oor weten te
strelen en niet worden opgetrokken uit het budget van een platen-
maatschappij. Nederland is rijk aan briljante choreografen. De NPS
koopt liever op een beurs een bulkpakket dansprogramma’s, dan te investeren in een eigen programma portefeuille.
De Nederlandse Opera ontvangt maar ik meen ongeveer, een miljoen Euro per jaar van de NPS
Daarvoor mogen ze vanuit de zaal meekijken naar één of twee
voorstellingen. Een vorm van televisie die ernstig bestreden dient
te worden. De camera’s staan vast, zichtlijnen van het publiek mogen niet belemmerd worden. De afstand dwingt om shots die closer zijn dan een totaal te fotograferen met een lange lens. ‘t Beeld wordt in elkaar geperst, als kijker kan je nauwelijks nog ademen. Details zijn niet te zien. Totalen, ja, die wel. Ogen die staan te trekken op 2 beeldlijnen. Probeer daar de emotie maar eens in te vinden.
Opera lijkt synoniem voor het grote gebaar. Details doen er dan
kennelijk niet toe. De tv-regisseur van ongeveer alles wat de Nederlandse Opera voor televisie vrijgeeft vertelde vol blijdschap
dat hij wel een uur met een camera de bühne op mocht.
Hij moet helemaal de bühne niet op. Hij moet de studio in. En als dat niet zou kunnen, dan alleen maar de bühne op. Gebruik die bühne als studio en maak televisie!
Ik heb m’n werk kunnen doen, omdat ik gesteund werd door o.a.
mensen als Ger Lugtenburg en Gerrit den Braber, Hannes
Hoff, Gerhard Reutter, José Montes-Baguer.
Mensen die hun nek uitstaken omdat ze geloofden in programma-
televisie en in mij. Zij waren gemotiveerd door geen ander belang dan zo goed mogelijke televisie te maken. De publiekrechtelijke zouden zich daar eens op moeten bezinnen en ongehinderd door een
dwingend voorschrift van de commercie, risico’s durven nemen.
Dat ’t nog lang niet het geval is, bleek wel toen Rottenberg en van
Nieuwkerk bereid waren hun koppen boven het maaiveld uit te
steken.


9) De trucages van weleer zitten nu in elke PC. Wat betekent dat
voor het vak?

Het betekent dat het maken van geavanceerde video binnen ieders
bereik is gekomen. In 1987 had ik op zijn verzoek een gesprek met
de crisismanager van het NOB, Horstra. Hij wilde mijn visie weten
over de toekomst van het NOB. Ik was en ben van mening dat
er voor een NOB, dat zich beperkt tot dienstverlening weinig toe-
komst zal zijn. De NOB beschikte over twee soorten kapitaal.
De internationaal uitzonderlijk hoge kwaliteit van het operationele personeel en state of the art faciliteiten.
Wat er m.i. aan ontbrak was een creatieve conceptionele poot.
Horstra meende dat hij daarmee in conflict zou komen met z’n
facilitaire afnemers. Ik suggereerde dat hij z’n concepten tegen licenties zou kunnen afgeven voor zover het omroepen en producenten betrof, maar dat er een veel grotere markt lag buiten de omroep. Concepten voor multinationals en overheden bijvoorbeeld.
Informatiesystemen, leersystemen.
Horstra heeft het niet aangedurfd.
Intussen is het NOB opgesplitst in al maar kleinere units, zijn er
vele honderden mensen afgevloeid en duidt dat eerder op
een sterfhuis dan op een gezond dynamisch bedrijf.
De hoge kwaliteit van de medewerkers is verdampt op een werkvloer
waar 10 kwisjes per dag worden opgenomen en de faciliteiten zijn
voor een appel en een ei onder ieders handbereik.


10) "Is er nog toekomst voor de kijkers?"
Welke kijkers? Verreweg de meeste zenders, roeren op het zelfde
tijdstip, met dezelfde soort programma’s in het zelfde kijkerspotje.
Dat is in hoogseizoen en primetime op 9 zenders
een gemiddeld potje van zo’n 30 à 40%.
Wie bekommert zich nog om die andere 60 à 70% ?