TOOTS:

Bavaria Atelier GmbH – München – Prod.-Nr. 35.127 

‘Toots Thielemann’ 

Het is begin  april 1980 als ik de ‘Stabliste’ plus de  

planning onder ogen krijg van een film die ik over Toots 

ga maken. 

De secretaresse die de ‘Stabliste’ getikt had kende Toots 

kennelijk niet, hield waarschijnlijk niet van jazz en tikte 

zijn naam als Thielemann, in plaats van Thielemans.  

Slordigheidjes waar ik niet zo van houd.

Montreux mei 1979. (bijna een jaar eerder) 

Ik heb een ontbijtafspraak met Hannes Hoff, Chef Drama  

und Unterhaltung van de WDR. 

‘Gisteravond werd het ‘Gouden Roos Festival’ met een feestje 

afgesloten. Hannes Hoff en ik mogen elkaar en waarderen  

elkaar. Hij heeft onvoorwaardelijk geloof in mij en gaf mij 

alle ruimte om programma’s te maken. Daarmee waren we 

ook succesvol. Zowel in Montreux, bij de BBC, in Brazilië, 

apan als elders. 

Die ochtend aan het ontbijt zij hij: ‘Bob wat zou je leuk  

vinden om te maken’.  

 ‘Hûh...?’  

Het overviel me. 

Ik dacht even na en zei: ‘...een film rond Toots Thielemans.  

Een blik in het leven van een uitzonderlijke musicus en  

aimabel mens.’ 

Hij keek me even aan. Kleine glimlach, ogen waarin plezier  

rondzwom en een mond die zei`: ‘Bob, machen wir’! 

Zo begon mijn avontuur met  Toots . 

 Mijn wens werd in de allereerste plaats afgevuurd door mijn  

adoratie voor zijn prachtige talenten maar ook door een  

zekere afgunst. Had ik maar zijn talent gehad. Met mijn  

schoolvriendjes Reier Schot en Wim Romer waren we in een  

ver, ver, verleden als mondharmonica-virtuosen, landelijk  

winnaar geworden van de Oprechte Amateur. Bovendien  

speelde ik ook gitaar, maar ’t was natuurlijk in de verste verte  

helemaal niets vergeleken bij die prachtige, lieve, uniek  

getalenteerde internationale grootheid. 

Ik wilde mijn bewondering omzetten in een film. Niet al te  

zeer geleidt door adoratie, maar veelmeer door  

nieuwsgierigheid. Zijn leven ervaren, zijn pleziertjes, zijn  

bewonderaars ontmoeten, hem leren kennen. Hoe keek hij  

om zich heen, hoe beleefde hij zijn leven. Had hij nog andere  

ambities, behalve een internationaal geprezen jazzmuzikant  

te zijn? Hoewel dat eigenlijk geen ambitie was. Het overkwam  

hem. Hannes Hoff, gaf  Bavaria Studio’s in München de 

opdracht om de productionele kant van de film te regelen.  

‘k Kende daar veel mensen. 

Had daar eerder al films gemaakt en wilde deze film graag 

draaien met Gernot Roll, een fenomenale cameraman  

waarmee ik een voor die tijd (1970) nogal spectaculaire film  

gemaakt had rond Esther Ofarim

De Produktionsleiter werd  Otto Boris Dworak , een naar enige 

corpulentie neigende Oostenrijker die hand- en spandiensten 

had verricht bij het draaien van ‘The Sound of Music” en in- 

middels als productieleider een stevige reputatie had  

opgebouwd. Heerlijke man. Iemand waarmee ik meteen 

een band voelde.

Tijdens de voorbereiding had ik een aantal gesprekken met 

Toots, altijd in aanwezigheid van zijn, lieve, zorgzame,  

onafscheidelijke, jongere levenspartner Huguette. Om hem 

ergens te spreken te krijgen was nog niet zo eenvoudig. Als ik  

hem belde, hoorde ik meestal het antwoordapparaat: 

“ this is Toots Thielemans speaking, until december 15, I am 

in Tokyo, please leave your name and message on this 

recording  machine and I will return your call as soon as I can. 

Please speak after the beeb.’ 

Tokyo kan je vervangen door New York, Moskou, Sao Paulo 

of een ander ver oord. Maar gelukkig hoorde daar ook met 

regelmaat Nederland bij.  

Het bleek moeilijk om  Toots te verleiden tot een vorm van 

zelfanalyse. Hij zocht bij voorkeur de wat luchtige kant van 

het leven en deed de meer persoonlijke vragen af met een 

grapje, een glimlach of een schaterlach.  

Hoewel hij het ook wel vermoeiend vond, genoot hij zeer van  

het leven dat hij leidde. Altijd onderweg, altijd ergens in de  

wereld in een hotel, maar altijd ook applaus en bewondering  

van fans en van de kleinste tot de allergrootsten in de muziek.

10 april 1980 

Eerste draaidag.

We staan op het platform van het vliegveld Zürich-Kloten 

en wachten op het vliegtuig van SwissAir, waar Toots  

en  Huguette  zo meteen uit zullen stappen. Als het toestel is 

uitgerold, gaat het kontje van de machine open en stapt Toots , 

gevolgd door Huguette , met de gitaar in de ene en een  

tas in de andere, uit het toestel. Zwarte vissers-pet op 

zijn hoofd, duffelse jas aan (’t is begin april en koud) en 

een dikke glimlach op zijn gezicht.

We gaan per taxi naar Hotel Nova Park , waar Toots die 

avond en de dag daarop, een gig heeft met Monty Alexander 

piano,  Martin Drew drums en  Ray Brown bas. 

De begroeting vindt plaats in de bar. Vrolijkheid,  

gezelligheid, omhelzingen, schouderklopjes en een glaasje 

op het weerzien. ‘ 

‘How are you man..?’ 

 Big baer brown’, zegt  Toots en omhelst de grote zware 

fenomenale bassist, die voor dat grote lijf een veel te hoge 

stem heeft. 

‘Thank you guys’, zegt Toots, ‘to come to my show.... hahaha’.  

Iedereen lacht hartelijk mee. 

Die middag wordt er gerepeteerd. Relaxte sfeer, professionals 

onder elkaar. Monty luistert naar  Toots die op de gitaar in 

accoorden een melodie speelt,  big bear Brown staat op een  

rond praktikabeltje en zegt tegen Monty : ‘play a couple of  

bars of ‘Summerwind’, I want to know what it feels up here’ 

Monty zet ‘Summerwind’ in en dan vindt het mysterie van de  

muziek plaats... Vier topmuzikanten, een aantal akkoorden, 

die binnen een zeker aantal maten de bodem leggen voor een  

melodie, een ritme, een tempo het creatieve genie van het  

individu en je hoort, gedragen door 4 individuele talenten, de 

fabelachtige symbiose van 4 verschillende instrumenten.  

De niet tastbare kunst in de ordening of chaotische ordening  

van klanken. 

Tijdens die repetitie gebeurt natuurlijk, wat ik altijd heb  

meegemaakt als jazzmuzikanten ergens op een plek in de  

wereld spelen, er duiken altijd andere jazzmuzikanten op.  

Er is kennelijk een tamtam die de muziek vooruit reist  

waardoor men van elkaar weet, wat, hoe en waar.  

Zo ook hier. 

De repetitie wordt onderbroken om bassist Jimmy Woode te 

omhelzen en even later volgen de hugs en kisses met  

John Ward, destijds drummer bij het Hazy Osterwalt sextet, 

maar daarvoor drummer in het kwartet van Toots. 

Vrolijkheid, plezier, herinneringen, een gelukkig weerzien.

’s Avonds bij het concert voor het publiek, treedt Toots op als  

de leader. Op zijn rustige, beetje verlegen manier spreekt hij  

het publiek toe en kondigt hij de nummers aan. Dan is het tijd 

voor een intermezzo.  

Toots kondigt een nummer aan als ‘a peace of auto-biography: 

the dirty old man’. 

Met het gezicht van een stout jongetje, kijkt hij  Ray Brown 

aan en zegt: ‘there is lyrics, but we won’t sing them, right Ray..?’ 

Het  plezier stuitert door de ruimte. Hij speelt ‘dirty old man’ op  

de gitaar (hij speelt sowieso die avond veel gitaar).

Alle 4 hebben dikke pret. Toots haalt diep adem, zet aan om  

e gaan zingen, maar komt niet verder dan:’... why don’t  you.....’  

Het waarom horen we niet, de tekst fade uit achter een  

suggestieve glimlach en een besmuikte blik van  Ray Brown .  

Het publiek lacht. 

 ‘They know the words, Ray’ en even later ‘lalalaat’ Toots 

het refreintje met een dikke knipoog naar de seksuele  

implicatie. Nergens wordt het meer dan de ondeugende  

 suggestie van een stoute jongen.

Toots heeft met het publiek en de muzikanten een complot  

gesmeed dat iedereen die het meebeleefd een beetje gelukkiger 

maakt. Het is een topavond.

Twee dagen later zitten we in het vliegtuig naar New York. 

Otto Boris heeft doodsangst voor vliegen. Zodra het toestel 

gaat taxiën om te vertrekken, trekt hij een jas over zijn 

hoofd en is niet meer aanspreekbaar. 

Toots en Hueguette zitten als twee verliefde teenagers bij elkaar. 

Het is behalve voor Otto Boris, een relaxte vlucht. 

Buiten bij Kennedy Airport worden we opgewacht door onze 

New York crew. Een eindje verderop zien we Ray Brown 

vervoer regelen voor zichzelf en zijn bas. We wuiven. 

 ‘k Ben blij’, zegt  Toots , ’dat ik mijn brood verdien met mijn 

broodje en mijn gitaar. Ray moet altijd 2 tickets kopen. Één 

voor hemzelf en één voor z’n bas. Haha..’ 

Gernot Roll, de cameraman schuift bij Toots en Huguette in  

een taxi en rijdt mee naar onze verblijfplaats voor de  

komende 10 dagen, het Marriott Essex House aan Central  

Park South.

Tegen het einde van de middag, als we het tijdverschil  

meerekenen is het al middernacht, hebben we nog even  

een gesprekje op de hotelkamer om kort het schema voor de  

komende dagen door te nemen. Terwijl we daar toch redelijk  

vermoeid zaten vroeg ik hem hoe hij zich voelde. Op ons  

lijstje stonden de komende dagen ontmoetingen met o.a.  

Benny Goodman, Paul Simon en Bill Evans en toen zei hij:

‘Ik ben nu 58, ik ben heel gelukkig. Ik heb het punt bereikt 

waarop ik relaxt, met zeg maar energie nul, in harmonie ben

met mijn geliefde en mijn muziek...

Ik heb geen yacht nodig of een paleis, alles is goed zo, we eten 

lekker, ik kan een broek kopen en ik hoop dat ik de paar jaren 

die ik nog heb kan blijven reizen en muziek maken en tenslotte 

kan zeggen, ik heb mijn best gedaan met de gaven van ‘the 

man upstairs’.

23.8.’16 

(wordt vervolgd)

TOOTS 2: 

          New York 12 april 1980 Toots heeft een engagement voor een week in de  Greenstreet Bar .

Bij jazzkenners een place to be. Het is een  

modern sfeervol restaurant, in de Village. Good food, 

good atmosphere, small stage.  

Het is ook de week waarin de New York Jazz Awards zullen 

worden uitgereikt.  Toots,  al meerdere malen winnaar in de 

categorie  Miscellaneous , is ook dit jaar weer genomineerd. 

De keuze zal gaan tussen  Howard Johnson – tuba,  Andy  Narrell  – steeldrums en  Toots . Later die week zal de jury de 

winnaars bekend maken.  Toots wint.

Op de 13e ’s avonds heeft  Toots een repetitie met zijn side- 

men. De pianist  Kenny Barron en de bassist  Paul West. 

Het management heeft die twee geëngageerd.  Toots heeft 

nooit eerder met ze gewerkt. Men kent elkaar alleen van  

naam. Intussen hebben  Otto Boris en ik te maken met  

totaal onvoorziene problemen.  Toots  had op persoonlijke  

titel afspraken gemaakt met  Benny Goodman en  Paul Simon . Als  Otto Boris met de respectievelijke heren contact  

zoekt, laat het management van  Goodman weten, dat hij 

absoluut geen tijd heeft en  Paul Simon laat weten dat hij 

te ziek is om geïnterviewd te worden, laat staan om samen  

met  Toots te musiceren. 

Ik vertel het  Toots. Hij is teleurgesteld en vraagt of hij het 

nog een keer mag proberen. Maar ook die directe  

persoonlijke telefoontjes veranderen niks aan de situatie. 

Onze ‘gründlich’ opgebouwde planning is voor een belang- 

rijk deel naar de knoppen.  

‘Was machen wir nun, Bobchen’, vraagt  Otto Boris. 

Tja.., wat nu? ‘Wie Jazzmusiker, wir Improvisieren!’ 

Ik ga naar mijn kamer en probeer de linker en rechterhelft 

van mijn brainframe zo te synchroniseren dat we de tijd 

die we overhebben, zinvol en dienstbaar aan het portret  

van  Toots , kunnen inzetten.  

Één van de markantste city landmarks in New York vond ik  

het ijsbaantje op  Rockefeller Center . Als kind had ik eens 

een prachtige romantische speelfilm gezien, waarin dat  

ijsbaantje een belangrijke rol speelde. Dat is me altijd  

bijgebleven en diep in mijn hart ook de wens om daar eens te  

mogen draaien. 

Ik stelde  Toots voor, dat hij op die plek een mini lezing zou  

geven over zijn instrument. Over de verschillende  

mondharmonica’s en het verschillende gebruik.  Toots vond 

het enig. Klein probleem was wel, dat je daar niet zomaar  

kan draaien. Onze New York crew legde uit, dat je zoiets  

ongeveer een jaar of twee van te voren moet aanvragen bij 

de speciale afdeling op het stadhuis, dat zich bezighoudt met 

het verlenen van filmvergunningen. Otto Boris , hoorde dat aan en zei dat hij  maar eens langs 

zou gaan bij dat ijsbaantje . Twee uur later was hij terug  

mochten we daar draaien wanneer we maar wilden. 

Het ijsbaantje werd gerund door een magere, lange, bitse,  

oorspronkelijk Duitse vrouw. Een ‘Hager-typ’, zeg maar  

Olijfje van Popeye. Otto Boris  had haar met zijn ‘Wiener Schmäh’, ingepakt, 

geparfumeerd en in zoete woorden gewikkeld.  

Een dag later gingen we daar draaien.

Maar eerst was er ’s avonds de eerste repetitie van  Toots , 

        met  Barron en  West . We rijden naar een straat ergens in  

        Manhattan aan de Westside. De kennismaking is vanuit  Paul West open en buitengewoon hartelijk:  ‘...is this the  gig....eh.... I waited all my life for this...”  haha...!  Barron  is  

        gereserveerder. Wat afstandelijker. Professioneel.  Toots , pakt zijn muziekmap uit de tas en legt uit wat hij aan  

        repertoire zou willen spelen. ‘.. eh a few Monk things....some  Miles Davis, ..all Blues...’

Barron knikt eens. Gaat achter de vleugel zitten en steekt 

          een lang dun sigaartje op. Het repetitielokaal is een 

          naargeestige ruimte. Zuilen die het zicht belemmeren, hier  

          en daar een tafeltje met te lang gebruikte stoelen. Smoezelige  

          kleuren, plat en koud neonlicht. 

          Het doet er niet toe. Toots zet z’n broodje aan z’n mond en blaast de eerste 2 

          maten van Monk’s ‘Straight no Chaser’. Feilloos valt  Barron 

          in met de voor Monk zo typische ‘valse noot’. Over  Toots’ 

          gezicht vlindert een gelukkige glimlach. Voor het mini-  

          publiekje van  Huguette , Toots’ Amerikaanse manager en 

          wij als crew wordt er schitterende muziek gemaakt. Op zijn  

          fluwelen zachte manier stuurt  Toots de anderen aan. Soms  

          met een vriendelijke onderbreking, soms door met de ene  

          hand de harmonica en microfoon vast te houden en met de 

          andere, door het knippen met zijn vingers het tempo op te 

          voeren of juist terug te nemen. De kilte en de smoezeligheid 

          van het repetitielokaal en de creativiteit van drie muzikanten 

          die, omdat ze nog nooit met elkaar gespeeld hebben, toch wel 

          even willen laten horen wat ze in huis hebben, maakt de  

          avond tot iets heel bijzonders. 

          Een paar uur later liggen we allemaal tevreden in ons bedje. 

          Even vergeten dat er nog een paar problemen dienen te  

          worden opgelost. Maar ja, wat in mijn hoofd ontstaat, zet  Otto Boris om in werkelijkheid. Goodnight Irene. 

          Pff... snarch....!!

De volgende dagen speelde  Toots ’s avonds in de Greenstreet 

          Bar en draaiden we overdag op plaatsen met herinneringen 

          en geschiedenis.  

          We draaien voor de  ‘Cotton Club’ . De plek die refereert aan  

          de cotton fields in het zuiden van Amerika, de slavernij 

          en de oorsprong van de blues. Voor  Toots , eigenlijk een plek 

          van voor zijn tijd. Zijn jazzcarrière begon in de jaren 40. Toen 

          waren de hoogtijdagen van de  Cotton Club’  al voorbij. Hij 

          kijkt naar de replica van wat ooit geschiedenis schreef. ‘..in het origineel waren het de tijden van  Louis Armstrong en  King Oliver . Dit hier is retro-nostalgie... ’ zegt hij.  ‘Dit is geen  Cotton Club. Je kan beter spreken van een polyester-club’.

Onder politiebescherming,  (was nodig volgens onze New York crew,) gingen we naar Harlem. Om precies te zijn naar: 

          253 West 125th Street. De biotoop waar velen begonnen die  

          later tot grote hoogten stegen. ‘ The Apollo Theatre’. Toots  bewaart er mooie herinneringen aan. In 1951 heeft hij 

          er twee weken gespeeld als gitarist bij  George Shearing. 

          Twee jaar eerder, in 1987 was er na renovatie een speciaal 

          concert ter gelegenheid van de heropening.  Toots was  

          uitgenodigd om mee te spelen met o.a.  J.J. Cale, Ralph  McDonald, the Brecker Brothers. Het was een feest en 

          een grote eer.

Behalve een internationaal gewaardeerde, virtuoze muzikant  

          is  Toots ook componist. Zijn bekendste stuk is  Bluesette.  

          In de film heb ik een muzikaal doorlopende montage  

          gemaakt van misschien wel 40 verschillende uitvoeringen  

          van dat stuk. Volgens Toots zijn er wel honderd:  

  ‘ Ja Bob, dat is mijn pensioen, haha...’ zei hij schaterlachend.

Ik had hem verteld dat ik een dwarsfluit wilde kopen en hem  

          gevraagd of hij mee wilde gaan. ‘ ...maar natuurlijk... ‘ Op een  

          vrije middag, neemt hij me mee naar 48th of 56th  

          street, of misschien ook wel een straat daartussen. Hoe dan 

          ook een straat waar vele muziekwinkels bij elkaar zijn.  

          Het was alsof een popstar door de staat liep. Van alle kanten 

          werd hij herkend en begroet. In de winkel was het nog erger. 

          Muzikanten waar hij mee gespeeld had, kwamen op hem af, 

          muzikanten die ooit wel eens met hem zouden willen spelen, 

          wilden een praatje maken. Het was ongekend. 

          Uiteindelijk hebben we de dwarsfluit gekocht, liepen daarna  

          een klein platenwinkeltje binnen, omdat ik daar een speciale  

          plaat hoopte te vinden en al neuzend door de bakken, klonk 

          ineens  ‘Bluesette’ door de zaak. De eigenaar had hem 

          herkend, was een jazzfan en wilde zijn waardering laten  

          horen.  Toots werd er verlegen van. Glimlachte vriendelijk en 

          zei tegen mij:  ‘..hoor je het....mijn pensioen....hahaha! ’  

          Onder applaus verlieten we de zaak.

Er waren veel mooie, bijzondere en bizarre momenten. 

          Op een dag zou ik een stuk met  Toots draaien rond de 

          prachtige fontein met de engel in Central Park.  

          Er ontstaat een Hollywood sfeertje.  Gernot Roll , had  

          kollossale spots laten aanrukken, rails in een cirkel rond de  

          fontein laten leggen en daarop een camerakraan geposteerd.  

          Iedereen is hard aan het werk om de eerste ‘slate’ te kunnen  

          draaien. 

          Ik sta een beetje aan de zijkant toe te kijken.  

          Ongemerkt is er iemand achter mij komen staan die tegen  

          mijn rug zegt:  ‘Tja, als we ooit zover nog eens zouden komen.  Dit is toch wel het echte werk.’  Als ik mij omdraai kijk ik in  

          het gezicht van Ralph Inbar.’  ‘Inderdaad Ralph, als.... hoe mooi is dat...?’ 

          We babbelen een beetje. Het grappige is, dat het niet de 

          eerste keer is dat ik Ralph in het buitenland tegenkom. 

          Een paar jaar eerder ook al in New York en ergens in de  

          60er jaren, na de zesdaagse oorlog lopen we elkaar tegen 

          het lijf, voor de Jaffa-poort in Jerusalem.  

          Nu dus in Central Park. Als de voorbereidingen klaar zijn 

          komt mijn Amerikaanse regie-assistent naar mij toe en 

          zegt: ‘ Bob, we are ready’. ‘Sorry Ralph, ik moet aan het werk.’ 

          Zijn bek viel open! Even moet hij gedacht hebben: Bananasplit!

We hebben een afspraak met  Bill Evans . De sublieme  

pianist en componist, die vele malen onderscheiden is met  

Grammy-awards  en de pianist, die op één nummer na, met  Miles Davis speelt op de beste jazzplaat ever, ‘ Kind of Blue’. Toots  en hij hebben onlangs samen een LP opgenomen  

onder de titel  ‘Affinity’ . Ook weer genomineerd voor een  

Grammy. 

We rijden naar New Jersey, waar  Evans woont in een  

redelijk luxueus flatgebouw. 

Als we aanbellen, wordt er niet gereageerd.  ‘Jeez...hij zal het toch niet vergeten zijn....’? Toots , wacht geduldig in de hal. Arm om de schouder van Huguette en zij haar arm om zijn middel. Lief beeld. 

We bellen nummers waarop  Bill , bereikbaar zou kunnen  

zijn, maar er wordt nergens opgenomen.  

We wachten! 

Na drie kwartier stapt hij de hal binnen. Excuseert zich en 

we gaan met de lift naar boven. 

‘ I didn’t know you were coming’,  zegt hij tegen  Toots ,  ‘I  thought they come for a quote ..... I had some juicy stuff prepared. Hahaha...’ 

Als ik op de lessenaar van de vleugel kijk, zie ik een met 

potlood geschreven score van  Jan Akkerman . Ik ben 

verrast. Akkerman is natuurlijk ook een geniale muzikant, 

maar om zijn score bij  Bill Evans op de lessenaar te zien 

liggen is verrassend. Op de één of andere manier voel ik 

ook iets van trots. Bizar natuurlijk. 

Ze praten een beetje. Lachen een beetje. Allebei geen 

eloquente babbelaars die elkaar veel te zeggen hebben. 

Totdat  Bill Evans  achter de vleugel gaat zitten,  Toots  zijn 

broodje pakt en het over muziek gaat. Dan praten de noten.  

Het is taal die ze zonder woorden tot in alle finesses  

beheersen en waarvan ze de grammatica tot in het kleinste  

detail, kennen.  Bill heeft een gipsen manchet om zijn linker 

hand. Ongelukje gehad. Maakt allemaal niet uit. 

Ze mompelen iets tegen elkaar en dan begint  Toots te spelen  

en valt  Bill in. Wat er dan gebeurt valt voor mijn muzikale 

begrippen, niet meer onder spelen, maar is virtuoos,  

hogeschool jongleren met een melodie, waarbij ongeveer elke  

maat moduleert naar een andere toonsoort. Er ontstaan  

waaiers van over elkaar buitelende akkoorden, die  Toots , als  

een wildwatersurfer met golven van noten bestijgt, beklimt,  

dan weer afdaalt naar de lagere regionen om ze weer op te  

tillen naar de Goddelijke genade die muziek kan zijn. De  

twee mannen kijken met een enkele blik naar elkaar en zijn  

volkomen gelukkig. 

Het is duidelijk.  

Dit is het verhaal van  Toots .  

Zijn muziek. 

Hij praat met zijn instrument. Schitterende monologen  

waarin puurheid, oprechtheid en emotie niet te missen zijn. 

Het zijn niet de woorden die alles zeggen, maar de noten.

Een paar maanden na onze opname stuurt hij mij  

onderstaand drukwerkje.

We houden contact en ik informeer hem over de montage. 

Als die klaar is maken we de afspraak dat hij, als hij in 

Nederland een gig heeft, ik hem ophaal en we bij mij thuis 

de film gaan bekijken. 

In januari 1981 is het zover. Hij belt dat hij een optreden  

heeft in  Vollebregt. Ik ga erheen, haal hem op en aan het  

begin van de nacht zitten we samen bij mij thuis naar de film  

te kijken. 

Hij is ontroerd. 

Voor ik hem terugbreng naar z’n hotel zegt hij:  ‘‘k Heb ook nog een presentje voor jou...’ 

Hij grijpt in z’n tas en geef mij z’n broodje. 

‘ Affinity’ ....zegt hij. 

Het broodje is gedateerd 79/6.  

Op de bovenkant heeft hij een stickertje met zijn naam en 

adres geplakt met wat handgeschreven woorden: ‘To Bob with gratitude and love. Toots’

Indeed Toots, with gratitude and love!! Bob Rooyens _24.8.'16